De romantiek van de plek zonder ziel

Jeroen de Willigen groeide op in de weilanden rond Den Ham, een gehucht boven Aduard, een dorp vlakbij de stad Groningen. Als stedenbouwkundige kwam hij terug om een ontwerp te maken voor Blauwestad. “Land dat in onbruik is geraakt, wordt hier opnieuw dienstbaar gemaakt aan de mens”, zegt Jeroen. “Het is heel Nederlands.”

Het is 18.30 uur. De vlaggen voor het steenrode informatiecentrum staan stijf van een warme bries die van de Waddenzee komt. Een blonde vrouw komt met Chanel-zonnebril en hoofddoekje in een nieuwe zwarte Saab cabrio het voormalige heliplatform op rijden. Als ze haar auto aan de waterrand heeft neergezet, zet ze de motor af en kijkt ze onbewogen voor zich uit. Hier landde hare majesteit de koningin voor de plechtige opening van Blauwestad, maar de grote H is intussen met witte kalk veranderd in een B om helikopterpiloten niet in de verleiding te brengen om er hun kist aan de grond te zetten. “Het is hier een romantische plek”, zegt Jeroen de Willigen (37) als hij over zijn schouder de zwarte auto in zich opneemt. Hij schuift stapels papieren die op de stoelen van zijn Mercedes station slingeren op een hoop om plaats te maken voor een rit door Blauwestad. Jeroen (37) is architect van architectbureau De Zwarte Hond in Rotterdam en met zijn bureau de bedenker van Blauwestad,

De Zwarte Hond raakte in 1999 bij Blauwestad betrokken. Er waren toen al zes of zeven architectenbureaus versleten. Allemaal hadden ze zich technisch of financieel stuk gebeten op het oorspronkelijke idee uit 1989 van de Scheemdase architect Jan Timmer en kompaan Wim Haasken om grote delen van Groningen (tot in Duitsland opnieuw onder water te zetten om het gebied sociaal en economisch nieuw leven in te blazen. Land dat door onze voorvaderen met veel zweet ontworsteld was aan de zee.

“Moet ik hier nou naar links?”, vraagt Jeroen zich af. Oriënteren valt niet mee. Het is de eerste keer dat Jeroen Blauwestad bij mooi weer ziet. Maar we zijn op weg.

Ook De Zwarte Hond kreeg in 1999 de opdracht om een leefgebied te creëren dat nieuwe kansen zou bieden aan dit dunbevolkte gebied in het noordoosten van Groningen. Jeroen werd verantwoordelijk voor het ontwerp op een steenworp afstand van zijn geboortegrond. Zijn ouders togen in de jaren zestig vanuit Wageningen in een lelijke eend naar Den Ham, een gehucht van honderd inwoners onder de rook van Aduard. Tot zijn negentiende fietste Jeroen hier tegen de wind in. Voor zijn studie ging hij naar de TU in Delft waar hij als stedenbouwkundige af kwam. “Toen ik in Delft kwam was het een hele openbaring dat ik vanaf huis in drie minuten in het café stond”, zegt hij.

“Het idee achter het ontwerp was om de omliggende dorpen, Oostwold, Midwolda, Finsterwolde en Beerta en zelfs Winschoten één geheel te laten vormen met de nieuwe stad. Letterlijk hebben we de dorpen aan het water gelegd. We zijn gaan graven en hebben de waterlijn zoveel mogelijk naar bestaande boerderijen, dorpen en wegen toe getrokken. Alsof die dorpen al eeuwen aan het meer liggen. Kijk die dijk”, wijst hij. “Dat is wat ik bedoel. Die dijk ligt pal tegen die boerderij aan.” En dan: “De vijftienhonderd woningen die hier gebouwd worden, zijn er inderdaad iets te weinig voor het predikaat stad. Maar het water verbindt de omliggende dorpen met elkaar. Daardoor ontstaat een veel groter woongebied. Nieuwe woningen wilden we ook bewust niet tegen de bestaande dorpen aan bouwen. Dat zou de beleving van dorpsbewoners alleen maar  verzwakken. Moet je je voorstellen dat je je halve of hele leven over een weiland uitkeek en nu plotseling een waterpartij in de achtertuin hebt zo groot als het Sneekermeer.”

Om het meer zijn wegen en dijken aangelegd in een Engels landschappelijke stijl: verrassend bochten en spannende uitzichten. Soms ligt de weg langs het water dan weer loopt hij weer over het midden van het eiland. Zoals oevers gehecht zijn aan de bestaande omgeving, zijn ook wegen gebruikt als schakel tussen bestaand en nieuw gebied. In Finsterwolde stopt Jeroen de auto om te laten zien hoe de oude weg vanuit Beerta in één vloeiende lijn straks Blauwestad binnen gaat lopen. “Ik hou van het platteland”, zegt bij. “Bij stedenbouw denk je gauw aan een stad, maar stede in oorspronkelijke zin is een plek. Plekken bouwen kan in de stad, maar natuurlijk ook in een weiland in Groningen. Het is heel Nederlands”, zegt hij. “Land dat in onbruik is geraakt, wordt opnieuw dienstbaar gemaakt aan de mens. Architecten hebben het vaak over de ziel van een plek. Dat is een romantische voorwaarde om er iets moois van te kunnen maken. Maar in Nederland zijn we veel pragmatischer. We kijken goed naar de mogelijkheden van een plek. Of dat nou een ziel heeft of niet. Vroeger werd ingenieurskennis gebruikt om het water buiten de dijken te houden en polders te maken waar zich boeren in vestigden. Maar er steeds minder boeren, veel boerenland licht braak. Daar wordt nu op een praktische manier een nieuwe bestemming aan gegeven.”

Onderweg staan veel woningen te koop. Zolang Blauwestad niet tot volle bloei gekomen is, lijkt het een slecht verkoopmoment, maar wellicht is het emotie. De noordoosthoek van Groningen is historisch een rood bolwerk. Hier namen knechten het in de vorige op tegen hun herenboeren en wordt ‘de internationale’ waarschijnlijk harder gezongen dan bij kameraden in Oost-Europa. Toen de eerste plannen voor Blauwestad bekend werden, hadden ze het hier over  ‘de rieken achter de dieken’. Toch wordt de oorspronkelijke doelstelling om de locale economie een slinger te geven langs de weg al zichtbaar. We passeren in Oostwold Beautysalon Blauwestad en even verderop is een bord in de tuin getimmerd: Pitch & putt. Op greens kan het putten geoefend worden. Ondernemers hebben zich inmiddels ook verenigd onder de noemer ‘Het Blauwe Lint’.

Voor een borg in Midwolda zet Jeroen de auto weer aan de kant. “Dit is het punt waar je het verst weg kan kijken.” Aan de overkant steekt het vuurrode informatiecentrum van Blauwestad af tegen de groenblauwe horizon. Jeroen ontdekt een lelijke grote loods die er nog niet zo lang staat. Hij vraagt zich af wie daar toestemming voor gegeven heeft. “We zijn geen smaakpolitie”, zegt hij. “Maar de huizen die hier gebouwd gaan worden, worden beoordeeld door een commissie die bestaat uit Groningse architecten. Die kijken of een ontwerp in Blauwstad past. Dat doen we om de boel bij elkaar te houden. Mensen met veel geld hebben per definitie nou eenmaal niet altijd smaak.”

We eindigen de rit in het dorp waarvan nu alleen nog maar de kades te zien zijn. Straks ligt hier een dorp à la Blokzijl of Ezinge dat vanaf de snelweg als ‘adres’ zichtbaar zal zijn. Daarachter verscholen liggen dan de privé-domeinen van steeds grotere omvang. De grootste meten 5000 m2 en worden omsloten door een natuurgebied dat half zo groot is als het meer, waar straks ook Przewalskipaarden in het wild worden uitgezet. “Doelgroepen?” Jeroen lacht. “VPRO-gids lezers of Frans Bauer adepten? Nee, hoor. Gewoon mensen die aan het water willen wonen.” Terug op het heliplatform valt de oranjerode zon achter de horizon en licht Blauwe van Blauwestad dat in koeienletters op de gevel is geschreven in blauw neon op. De vrouw in de zwarte Saab is weg. (gepubliceerd in Blauwestad)

reportage