Wonen in de 21ste eeuw

Van de pretenties en ambities waarmee Vinex begon is weinig over. De wijken zijn eenvormig en de huizen te klein. Er moet wat gebeuren, maar wat? Tweede-kamerlid Adri Duivestijn wil subsidie geven voor individueel opdrachtgeverschap naar Belgisch voorbeeld. Architect Marinus Oostenbrink ziet graag de kasteelheer die zijn eigen burcht bouwt. His home is his castle. Ondertussen komen marktpartijen met woonproducten die bewoners meer vrijheden geven.

Wonen in de 21ste eeuw is eind jaren negentig synoniem aan Vinex. Tot 2005 worden er aan de rand van de grote steden nog eens driekwart miljoen huizen bijgebouwd voor zo’n twee miljoen mensen. Tien jaar geleden begon de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening met pretenties en ambities. Maar het is hommeles in Vinex-land. Het enthousiasme van toen heeft plaatsgemaakt voor teleurstelling. Nog ruim voor het laatste huis gebouwd is, staat de Vinex-locatie ter discussie. De wijken zijn benepen, de infrastructuur gebrekkig, en de huizen veel te eenvormig. Onder architecten worden enquêtes gehouden over wat er aan schort en hoe het verder moet. BNA stuurde de vragen naar zo’n driehonderd Nederlandse architectenbureaus en de antwoorden waren niet van de lucht. Vinex is niet oplossing van vandaag, maar het probleem van morgen. Vinex is alleen geslaagd in Rotterdam en Amsterdam. Stijl is een sausje geworden dat de stedenbouwkundige armoede moet verdoezelen. Alle woningen lijken. vooral gericht op traditionele, jonge gezinnen. Het ‘betaalbaar geluk’ wordt aangeboden in monofunctionele, platgenormeerde wijken. Er is alleen plaats voor architectonische gimmick. Architectuur: zekere voor het onzekere. Weinig verassingen, veel teleurstellingen. Krappe verkavelingen en bezuinigingsgronden. VINEX synoniem voor de grootste uitkleedactie van Nederland. Wat Amsterdamse school, Haagse school, nep-Rietveldjes, jarendertigkappen, klassieke zuilen en een vleugje romantiek. Architect Carel Weeber werd de verpersoonlijking van het wilde wonen. Ook projectontwikkelaars klagen dat Vinex-locaties gericht zijn op aantallen en niet op ideeën. En ook de politiek doet mee. Tweede-Kamerlid Adri Duivesteijn, vroeger directeur van het Architectuurinstituut, gooide de knuppel in de Kamer. Zijn amendement en pleidooi voor individueel ondernemerschap leidde tot de discussienota Wonen in de 21ste eeuw van staatssecretaris Johan Remkes. Een discussienota met als kern dat de traditionele volkshuisvesting – het goed en betaalbaar huisvesten van mensen met de laagste inkomens – ingeruild moet worden voor een systeem van marktwerking en vrijheden.

Remkes wil meer vrije kavels in de Randstad. Ook op Vinex-locaties. Bij de feestelijke start van het persoonlijk wonenproject Bloemveld in Bennebroek, een project van het Bouwfonds, zegt hij dat hij alles zal doen om de dwangbuis die het Bouwbesluit nog altijd is aan te pakken.

Ook andere partijen in de markt ontwikkelen initiatieven om tegemoet te komen aan de nieuwe eisen van de consument. Eisen die natuurlijk eerst door de marktpartijen geformuleerd moesten worden. Wie is de mens achter de consument? Wat wil hij? Hij wil een tuin. Een grote woonkamer. Veel groen in de straat. De bewoner kreeg een profiel waarop marktpartijen hun producten konden afstemmen. Want straks staat die consument niet meer met zesduizend anderen in de rij voor een minimale woningen met een maximale prijs, zoals Duivesteijn het noemt. Zodra die aan zijn nieuwe vrijheden heeft geroken, worden huizen die niet aan zijn verwachtingen voldoen onverkoopbaar. Maar voorlopig lijkt de consument – als enige – blij met zijn Vinex-woning. Eindelijk is hij weg uit zijn flatje.

Individueel opdrachtgeverschap

Adri Duivesteijn is bezield. In de woonkamer (hoogte ongeveer vijf meter) van zijn huis in de Haagse Stadionbuurt is de dag nog maar net begonnen. Binnen vijf minuten is er emotie in zijn stem. Hij heeft een weerzin tegen de bedachte, kunstmatige verscheidenheid van (veel) hedendaagse architectuur. Tegen de suggestie dat je kwaliteitsproducten koopt. ‘Het is gedeformeerd tot het naäpen van Kattebroek. Architecten zijn behangers geworden. Nederland mist kwaliteit en individualiteit. Maar die behoefte is er wel. Historisch is die er altijd geweest. Ook individueel. Maar het is te gek dat voor woningen een maximale breedte van 5.40 meter geldt. Dat vind ik terrorisering van het bouwproces.’ Hij zegt het plastisch en zo bedoelt hij het ook.

Nederland heeft na de oorlog een systeem ontwikkeld van institutionele bouw die gesubsidieerd werd door de overheid. ‘In het begin waren er allemaal heel nobele doelstellingen: het tegengaan van woningnood, krotten en sloppen. Maar uiteindelijk werden deze doelstellingen een soort legitimatie om maar door te blijven gaan. Want inmiddels heeft iedereen een dak boven zijn hoofd. In België is dat anders aangepakt. Daar kregen in 1948 de mensen subsidie. Ook voor koopwoningen. Resultaat is dat België niet eens de problematiek van de naoorlogse wijken kent en dat in Nederland de helft van de woningvoorraad volgens staatsstructuur is gebouwd. Dat zie je alleen in communistische landen.’

Een paar jaar geleden is door de politiek de keuze gemaakt om over te stappen van institutionele woningbouw naar bouw door marktpartijen. ‘We hadden de illusie dat de markt de burger was. Maar het grappige of juist trieste bij deze omschakeling van instituut naar markt is dat niet de mens in beeld is gekomen, maar de projectontwikkelaar. Het staatssyteem is vervangen door het projectontwikkelaarsysteem. Je ziet een verschil in pakken en auto’s, maar de woningbouw wordt nog steeds beheerst door een klein groep die de macht heeft. Door fusies maakt een handvol projectontwikkelaars of aannemers uit wat er op Vinex-locaties gebeurt. En de consument mag in de rij gaan staan. Hij is nog blij ook, want de Vinex-woning is een hele vooruitgang op zijn flat. ‘

‘Ritme van de instituties is hier belangrijk geworden. Winstoogmerk dwingt de productie te standaardiseren. De markt is overspannen. Mensen zijn bereid veel te betalen. Voor de schijn van individualiteit. Het is flauwekul. Je mag een serre aanbouwen of een deur een meter verplaatsen maar de vrijheid is marginaal. Een commerciële truc om een standaardproduct in grote hoeveelheden af te zetten. De koper en ook het wonen wordt gediskwalificeerd. Heeft niets maken met een goed idee over wonen, maar hoe kunnen we veel winst maken. En daarom zie je op Vinex-locaties overal minimale en dezelfde huisjes. De rol van architect is gedeformeerd tot het maken van een façade. Dat is de kern: in Nederland bestaat de burger niet. Hij is hooguit consument maar nooit producent.’

Dan de Belgen. ‘Die hebben de traditie van zelf een woning bouwen. Hier mogen we kopen of huren en we moeten er dankbaar voor zijn. We lopen wel altijd te foeteren op de Belgen, maar als je in Nederland aan gezinsuitbreiding toe bent, moet je verhuizen. In Nederland verhuist iemand zeven keer. In België drie keer. Wonen in Nederland is kunstmatig, weinig van de mensen zelf.’ Duivesteijn wil niemand verwijten maken. ‘Het is een historisch keurslijf. We weten niet beter.’

Duivesteijn denkt dat het met VINEX-locaties nooit zo dramatisch zal aflopen als met naoorlogse wijken. ‘Maar als de economische groei door blijft gaan, zullen huizen hier wel in waarde dalen. Ik vind het onbegrijpelijk dat mensen in een hoogconjunctuur, die ook bereid veel geld te betalen, genoegen moeten nemen met minimale producten. Dat is misbruik maken van de situatie van grote vraag en beperkt aanbod.’

Hij vindt dat we radicaal moeten breken met deze manier van doen. Er is geen woningnood meer. Geen reden om in hoog tempo minimalistische dingen neer te zetten. Er is geen excuus meer. Mensen hebben een woning. ‘Waarom moet je Vinex in vijf jaar bouwen? Waarom niet in 15 jaar? De ontspanning moet je benutten om op een andere manier te gaan werken.’

Hij is pleitbezorger van het individueel opdrachtgeverschap. ‘Zelf je eigen opdrachtgever zijn. Een woning neerzetten in een strak stedenbouwkundig plan. Dan ontstaat een variëteit en veelkleurigheid die nu ondenkbaar is op Vinex.’ Zoals ze het in België doen. ‘Daar hebben ze de gemene muur. Dat is de muur van je huis waar je buurman tegenaan kan bouwen. In tien jaar zie je een straat ontstaan zoals dat in de binnensteden vroeger ook ging. Daaruit ontstaat de kracht van een wijk. Hier denken bestuurders dat we alles tegelijk moeten neerzetten. Er is een enorme tegenstelling tussen wat we mooi vinden aan buurten uit de vorige eeuw en wat we nu doen. Voor de Nederlandse economie zal het een zegen zijn als de bouwnijverheid een veelvoud aan kleine bedrijven krijgt en daarachter weer een veelvoud aan toeleveringsbedrijven, producten en specialisaties.’

Met het amendement dat Duivesteijn naar de Tweede Kamer stuurde, wil hij bereiken dat ten minste eenderde van alle woningen volgens het individueel ondernemersschap gebouwd wordt. In 2000 vindt er een herijking van VINEX plaats. ‘We zullen kijken naar bouwtempo, aantallen en hoe er gebouwd wordt.’ Snelle veranderingen verwacht hij niet. ‘Gemeentebestuurders zijn ook gevangenen van het institutionele systeem dat in vijftig jaar geperfectioneerd werd. Maar ook in Nederland moeten subsidies rechtstreeks naar burger. Bijvoorbeeld een grondkostensubsidie of bouwsubsidie. Per saldo hoeft dat niet meer te kosten, we geven al miljarden uit. Instituties weten zich nog te gemakkelijk verzekerd van geldstromen van de rijksoverheid. Breek de macht van de instituties en geeft de mensen de macht. Klinkt uit de tijd, maar moet wel gebeuren.’

Er zijn heel veel redenen om in 2000 een sprong te maken naar de burger, vindt Duivesteijn. ‘Die burger ziet er anders uit dan 100 jaar geleden, toen je nog sprak van paupers en krottenwijken en problemen door de industriële revolutie. Mensen nu hebben nog nooit zoveel geld te besteden gehad. We moeten het individu erkennen als zelfstandige actor in het proces. Dan verdwijnt alle flauwekul op Vinex vanzelf. De een is arts, bouwt een praktijk aan huis, de ander een winkel. Daag mensen maar uit, dan komt energie los. Eerste lichtpunt is IJburg. ‘Op Steigereiland. Allemaal zelfbouw. Een eerste stap, maar belangrijk dat die gezet wordt.’

Duivesteijn wil ook niet al te verheven doen. ‘Ik ben niet tegen standaardproducten, maar je moet een koper duidelijk maken dat het ook anders kan. En ook de projectontwikkelaars. Anders dan de ordentelijke burgermansverscheidenheid. We zijn zo vreselijk bang om mensen hun gang te laten gaan.’

In de Tweede Kamer ziet hij een meerderheid die de burger meer vrijheid wil geven. Zijn pleidooi begint vruchten af te werpen.

Safe havens

In Amsterdam heb je geen weilanden, maar water. Met daarin eilanden met een enorme woningdichtheid. Hoe zorg je dat mensen – die net als vrijwel alle andere Nederlanders het liefst een tuin willen – daar met plezier wonen? Eenvoudig door blauw als groen te definiëren.

Marinus Oostenbrink is architect en verbonden aan het bureau P/A van de Stedelijke Woningdienst, een facilitair bedrijf voor bouwend Amsterdam. De dienst is gehuisvest in de Jodenbreestraat op de plek waar vroeger het verguisde Maupoleum stond. Het tumult rond Vinex speelt in Amsterdam minder dan in een weiland tussen snelwegen en spoor. ‘Amsterdam heeft Vinex-locacties, maar die vind je in een verstedelijkt gebied met geschiedenis, zoals IJburg en het Oostelijk Havengebied. Die locaties spreken tot de verbeelding en dat hebben we benut bij de planontwikkeling.’ Een belangrijk verschil is dat op Vinex-locaties in Amsterdam een woningdichtheid van 100 woningen per hectare is waar er in het weiland 30 tot 40 huizen staan. Hier is geen eenzijdige vraag van klassieke huishoudens naar de eenvormigheid, tuin voor, achter en een zolder.

Het begon tien jaar geleden met KNSM-eiland. Nadat er twee kolossale socialewoningbouwcomplexen neer waren gezet, ontstond de discussie over hoe er verder gebouwd moest worden. ‘Toen was Java-eiland aan de beurt. De koopmarkt was sterk in opkomst en er waren minder subsidies voor goedkopere huurwoningen. We hebben het toen anders aangepakt. De nadruk kwam te liggen op kleinere projecten van koopwoningen. We schreven woonprogramma’s: een omschrijving van de bewoners, bijvoorbeeld alleenstaanden, gezinnen of de andere samenlevingsvormen en wat zij wilden. Daarnaast ook een theoretisch programma. We wilden de veelzijdigheid van de markt visualiseren. Dat kun je aan Java-eiland zien. Het is letterlijk veelkleurig. De verschillende architectuur is afgekeken van de binnenstad van Amsterdam. Een mix van kleine grachtenhuizen en grote lange havenblokken.’

Derde stap is Borneo-Sporenburg. Ingezet werd op laagbouw omdat Amsterdam zo weinig lage huizen heeft, ongeveer 20%. ‘Om mensen in Amsterdam te houden en niet naar Almere te laten vertrekken, wilden we ook aan die vraag van gezinnen voldoen.‘

De grondgebonden woning werd in het jargon opgenomen. ‘We hadden veel water, maar niet te veel groen. Blauw is groen, hebben we toen gezegd. Water werd gedefinieerd als groenvoorziening. Resultaat is 100 woningen per ha, zonder tuin, met patio’s en dakterrassen. Vernuftig, mediterraan en geheimzinnig. Ook met carport. Woningen van 2, 3, 4 lagen met daartussen grote sculpturale gebouwen. Tegen de verwachting in kregen we heel veel gezinnen die het ongelooflijk naar hun zin hebben.’

Hoe bouw je een huis voor de 21ste eeuw? ‘Daar is geen algemene regel voor te geven. Les van Amsterdam is dat we kijken naar locaties en doelgroepen. Niet teveel naar grote projecten, elk onderdeel moet goed in de context ontworpen zijn. Goed afgestemd op het huishouden dat voor die plek kiest. Je kunt niet volstaan met een eenheidsproduct. Mogelijkheden moet je uitbuiten en vertalen. Als je dat doet op Vinex bouw je toekomstwaarde. Want toekomstwaarde is de onzekere factor als de markt verandert, de rente stijgt en het concurrerende aanbod groter wordt.’

‘Mensen willen zeggenschap over de woning. Ze hebben eigen geld en willen investeren in oppervlak en hoogte. Dat heeft te maken met mobiliteit en globalisering. We oriënteren ons op een hoger schaalniveau. We maken meer kilometers, reizen veel. Daaruit komt een sterke behoefte voort de woning te cultiveren als een veilige plek, een safe haven. We geven meer geld uit aan doe-het-zelven, de woon- en designmarkt. Mensen zijn kritisch geworden. Ze hebben een verfijndere smaak ontwikkeld. Ik zie een contrast met de buiten(ruimte) waar mensen zich sociaal onveilig voelen. Niet alleen oude mensen. We blijven uit het publieke domein vandaan. My home is my castle. Na cocoonen gingen we nesten. De mogelijkheden om mensen dat te geven nemen toe. Op Steigereiland worden nu zestig woningen gebouwd door zestig verschillende opdrachtgevers die eigen architect zijn of er een kiezen, een ontwerp maken of laten maken. Dat is een echte persoonlijke woning. In wezen zoals de kasteelheer zijn kasteel liet bouwen, maar dan in een stedelijke situatie en meer georganiseerd.’

Zo’n rommeltje aan huizen kan best aardig zijn, vindt Oostenbrink, maar wel onder stedenbouwkundige supervisie. ‘Lelijkheid is een deel van de gebieden. Het hoort er bij.

Het kantoor van de Stedelijke Woningdienst is een voorbeeld van een gemengd stedelijk programma. ‘Woonhuis, winkel, kantoor, ze kunnen er allemaal op zijn tijd in gevestigd worden. Deze uitwisselbaarheid is het geheim van elke binnenstad van Europa. Panden die met kleine en grote ingrepen eenvoudig aangepast kunnen worden aan een ander gebruik. Als de omgeving goed is, blijft het altijd z’n geld waard.’ (gepubliceerd in Sigmafoon)

interview